Print deze pagina

Kinderopvang: Een veilige basis?

Harriet Vermeer & Rien van IJzendoorn

Centrum voor Gezinsstudies, Afdeling Algemene en Gezinspedagogiek en Datatheorie, Universiteit Leiden, juli 2008

Kinderopvang: Een veilige basis?
Een van de belangrijkste doelstellingen van alle vormen van kinderopvang is het bieden van een gevoel van veiligheid. Kinderen moeten ook in een kinderdagverblijf of gastgezin een veilige basis vinden om hun omgeving onbekommerd te kunnen verkennen. Opvang van jonge kinderen in een groep en zonder de eigen ouder is vanzelfsprekend een spanningsvolle situatie. Maar leidsters of gastouders kunnen eraan bijdragen dat het kind zich na verloop van tijd toch op zijn gemak voelt. De gehechtheidstheorie geeft aan welke voorwaarden moeten zijn vervuld om het kind zo’n veilige basis te bieden, binnen en buiten het gezin.

Kinderopvang en gehechtheid
Bowlby’s gehechtheidstheorie (Bowlby, 1969/1982) gaat uit van de veronderstelling dat elk kind de aangeboren neiging heeft om een vertrouwd persoon op te zoeken in tijden van angst of stress. Talloze studies hebben een positief verband laten zien tussen een veilige gehechtheidsrelatie en een gunstige ontwikkeling op velerlei gebied (Van IJzendoorn, 2008). Herhaaldelijk is naar voren gekomen dat de sensitiviteit van opvoeders – ofwel de mate waarin zij in staat en bereid zijn de signalen van een kind goed op te vangen en hierop prompt en adequaat te reageren – een belangrijke voorspeller is van een veilige gehechtheidsrelatie (Wolff & Van IJzendoorn, 1997). Redenerend vanuit de gehechtheidstheorie werd in de jaren ’80 door sommige deskundigen gevreesd dat kinderopvang schadelijk zou zijn voor de gehechtheid tussen moeder en kind. Langdurige scheidingen tussen moeder en kind zouden resulteren in een lagere sensitiviteit van de moeder, en dientengevolge in een hoger risico op een onveilige gehechtheid (Belsky, 1986).

Deze vrees is gelukkig niet gegrond gebleken. In Nederland is in verschillende studies vanaf midden jaren ‘80 aangetoond dat kinderopvang niet zonder meer schadelijk is voor de gehechtheid tussen ouders en kinderen (Van Dam & Van IJzendoorn, 1990; Goossens & Van IJzendoorn, 1990). In het meest grootschalige Amerikaanse onderzoek naar kinderopvang ooit van het National Institute of Child Health and Human Development (NICHD, 2005) heeft men vele kenmerken van de kinderopvang (kwaliteit, kwantiteit, leeftijd bij start opvang, stabiliteit van de opvang, en type opvang) in kaart gebracht. Zoals verwacht, bleek de sensitiviteit van de moeder positief samen te hangen met een veilige gehechtheid van haar kind. Maar geen van de eerder genoemde kenmerken bleek een direkt effect te hebben op de gehechtheid tussen moeder en kind.

Echter, de enorme hoeveelheid data die verzameld zijn, hebben de onderzoekers in staat gesteld specifieke condities te formuleren waaronder kenmerken van de kinderopvang samenhangen met gehechtheid (NICHD, 1997). In dat geval spreekt men van interactie-effecten. Op de leeftijd van 15 maanden waren kinderen minder veilig gehecht aan hun moeder wanneer een lage sensitiviteit van de moeder in combinatie optrad met een van de volgende condities: een lage kwaliteit van opvang, meer dan 10 uur kinderopvang per week, of meer dan één kinderopvangarrangement. De grootste risicogroep werd gevormd door kinderen die zowel thuis als in de opvang een minder sensitieve opvoeding kregen. Met andere woorden kinderen die zowel thuis als in de opvang opgroeiden in een omgeving die in mindere mate was afgestemd op hun emotionele behoeften, liepen de grootste kans op het ontwikkelen van een onveilige gehechtheid met de moeder. Kinderopvang moet dus sensitieve opvoeding bieden.

Kinderopvang als risico of bescherming?
Naast mogelijke risico’s van kinderopvang van lage kwaliteit, zijn er ook mogelijke positieve effecten. Het NICHD onderzoek wijst uit dat kinderopvang van hoge kwaliteit juist tekorten in de opvoeding door een minder sensitieve moeder kan compenseren. Het percentage kinderen van insensitieve moeders dat desondanks een veilige gehechtheidsrelatie met haar ontwikkelde lag wat hoger in de kinderopvang van hoge kwaliteit dan in de opvang van lage kwaliteit. Er was geen bewijs dat de hoeveelheid tijd die kinderen in de opvang doorbrachten compenseerde voor het gebrek aan sensitiviteit van de moeder. Dit wijst erop dat kinderopvang van hoge kwaliteit met een sensitieve professionele opvoeder een buffer kan zijn voor kinderen die thuis een minder sensitieve opvoeding krijgen.

We hebben tot nu toe vooral gekeken naar de sensitiviteit van de pedagogisch medewerker, een belangrijke component van de zogenaamde proceskwaliteit van kinderopvang. De NICHD studie vond geen effecten van structurele kenmerken (groepsgrootte, opleiding leidster) op de gehechtheidsrelatie. Mogelijk is er te weinig spreiding in kwaliteit van kinderopvang in de USA waar de regering de randvoorwaarden tamelijk strikt reguleert. De vraag rijst wat de invloed van kinderopvang op gehechtheid is wanneer zowel de structurele kenmerken als de proceskwaliteit minder gunstig zijn. In een studie waarin alle gegevens van kinderdagverblijven van de NICHD studie werden samengevoegd met die van kinderdagverblijven uit een studie uit Israel (Love et al., 2003), was er wel een verband tussen kind-opvoeder ratio (het aantal kinderen per opvoeder) en een veilige gehechtheid aan de moeder (Sagi et al., 2002). De kinderdagverblijven uit Israel werden gekenmerkt door een minder gunstige kind-opvoeder ratio en slechte kwaliteit opvang. Dit voorbeeld laat zien dat bij een grotere variatie in kwaliteit veilige gehechtheid wel degelijk afhankelijk is van die kwaliteit. Een belabberde kinderopvang, zoals in Israel, heeft wel degelijk nadelige gevolgen voor het kind.

Gehechtheid aan opvoeders in de kinderopvang
Kinderen raken gehecht aan meer dan één persoon, bijvoorbeeld ook aan een leidster of gastouder. De kwaliteit van kinderopvang kan in dat geval zelfs een nog grotere rol spelen in het voorspellen van het welbevinden en het gevoel van veiligheid van kinderen. Tot nu toe heeft de gehechtheid aan de moeder centraal gestaan, simpelweg omdat het merendeel van het onderzoek hierop gericht is. Hoewel niemand zal betwisten dat vaders naast moeders de belangrijkste hechtingsfiguur zijn, is er nog weinig onderzoek naar vaders gedaan. Het schaarse onderzoek dat er is, heeft laten zien dat er slechts beperkte overeenstemming is in de manier waarop een kind zich aan vader respectievelijk moeder hecht (Van IJzendoorn & De Wolf, 1997). Datzelfde geldt ook voor de relatie met een leidster.

Het is evident dat ook sensitieve reacties van een vertrouwde opvoeder in de kinderopvang kunnen bijdragen aan een gevoel van veiligheid bij kinderen. In Nederlandse studies (Goossens & Van IJzendoorn,1990; Verweij-Tijsterman, 1997) is naar voren gekomen dat kinderen niet vaker een onveilige gehechtheidsrelatie met hun leidster hebben dan met hun ouders. Ook bleek dat kinderen die de opvang langer bezochten, vaker een veilige gehechtheidsrelatie met de leidster ontwikkelden. Er zijn aanwijzingen dat kinderen profijt kunnen hebben van een netwerk aan veilige gehechtheidsrelaties (Van IJzendoorn, Sagi, & Lambermon, 1992) en dat een veilige gehechtheid met een professionele opvoeder in de kinderopvang kan compenseren voor een onveilige gehechtheid met de moeder (Howes et al., 1988).

In een studie waarin 40 internationale studies naar gehechtheid aan opvoeders in de kinderopvang samen werden geanalyseerd in een zogenaamde meta-analyse (Ahnert, Pinquart, & Lamb, 2006) kwam naar voren dat een aanzienlijk deel van de kinderen (42%) veilig gehecht was aan een professionele opvoeder. Deze veilige gehechtheid kwam vaker voor in de gastouderopvang dan in kinderdagverblijven en stemde niet noodzakerlijkerwijs overeen met de gehechtheidsrelatie met de moeder of vader. Dus een kind met een onveilige relatie met de eigen ouder kan tegelijk veilig gehecht zijn aan de leidster. Dat onderstreept het belang van een leidster of gastouder in de rol van gehechtheidspersoon of veilige basis voor het kind.

Samenvattend kunnen wij stellen dat kinderopvang over het algemeen geen schadelijke gevolgen heeft voor de gehechtheidsrelatie tussen kind en ouders, mits de kwaliteit van de opvang goed is, niet een volle week in beslag neemt, en er niet teveel verschillende opvoedingsarrangementen zijn. Kwalitatief goede kinderopvang kan een beschermende factor zijn voor de gehechtheid van kinderen aan hun ouders, vooral voor kinderen met een minder gunstige thuissituatie, maar kinderopvang van mindere kwaliteit kan voor diezelfde groep kinderen ook een risicofactor zijn. Ten slotte moeten we ons realiseren dat niet ieder kind gebouwd is op groepsopvang buiten het eigen gezin. Sommige kinderen zijn van nature angstiger of prikkelbaarder dan andere kinderen, en voor hen zal waarschijnlijk nooit een goede pasvorm met kinderopvang buitenshuis gevonden kunnen worden.

Bronnen
Ahnert, L., Pinquart, M., & Lamb, M.E. (2006). Security of children’s relationships with nonparental care providers: A meta-analysis. Child Development, 74, 664-679.

Belsky, J. (1986). Infant day care: a cause for concern? Zero to Three, 6, 1-7.

Bowlby, J. (1969/1982). Attachment and loss: Vol. 1. Attachment. New York: Basic Books.

Dam, M. van, & IJzendoorn, M.H. van (1990). Zijn kinderen van werkende moeders onveilig gehecht? Kind en Adolescent, 11, 71-80.

Goossens, F.A., & IJzendoorn, M.H. van (1990). Quality of infants’ attachment to professional caregivers: Relation to infant-parent attachment and day-care characteristics. Child Development, 61, 832-837.

Howes, C, Rodning, C., Galuzzo, D.C., & Myers, L. (1988). Attachment and child care: Relationships with mother and caregiver. Early Childhood Research Quarterly, 3, 403-416.

IJzendoorn, M.H. van, Sagi, A., & Lambermon, M.W.E. (1992). The multiple caretaker paradox: Data from Holland and Israel. In R.C. Pianta (Ed.), New directions for Child Development: No 57. Beyond the parent: The role of other adults in children’s lives (pp. 5-24). San Francisco, CA: Jossey-Bass.

IJzendoorn, M.H. van, & Wolf, M.S. de (1997). In search of the absent father. Meta-analyses on infant-father attachment: A rejoinder to our discussants. Child Development, 68, 604-609.

IJzendoorn, M.H. van (2008). Opvoeding over de grens: Gehechtheid, trauma en veerkracht. Amsterdam: Boom.

Love, J.M., Harrison, L., Sagi-Schwartz, A., IJzendoorn, M.H. van, Ross, C., Ungerer, J.A. et al. (2003). Child care quality matters: How conclusions may vary with context. Child Development, 74, 1021-1033.

NICHD Early Child Care Research Network (2005).Child care and child development. New York: Guilford Press.

NICHD Early Child Care Research Network (1997). The effects of infant child care on infant-mother attachment security. Child Development, 68, 860-879.

Sagi, A., Koren-Karie, N., Gini, M., Ziv, Y., & Joels, T. (2002). Shedding further light on the effects of various types and quality of early child care on infant-mother attachment relationship: The Haifa Study of Early Child Care. Child Development, 73, 1166-1186.

Verweij-Tijsterman, E.M. (1997). Gehechtheid aan een ‘Strange Situation’; veilig of onveilig? Nederlands Tijdschrift voor Opvoeding, Vorming en Onderwijs, 13, 233-240.

Wolff, M.S. de, & IJzendoorn, M.H. van (1997). Sensitivity and attachment: A meta-analysis on parental antecedents of infant attachment. Child development, 68, 571-591.